Wijdte is een begrip dat bij de Duitse mysticus Meister Eckhart een belangrijke rol speelt om de gemoedstoestand van de ziel in het individu te beschrijven. De ziel ervaart de wijdte als zij helemaal open staat voor datgene buiten haar dat haar omgeeft als een overweldigende werkelijkheid. Daarvoor moet ze wel leeg zijn, bodemloos, niet gevuld met beelden en verwachtingen, niet vol met gedachten en betekenissen. Zelfs geen voorstelling of begrip van God is hier gevraagd want dat zit alleen maar in de weg. Dat verhindert de aanraking van het goddelijke, dat staat dan in tussen de omvangende werkelijkheid en de ziel zelf. Leegte en liefde, leegte en geraakt worden gaan samen en hebben elkaar nodig, vormen de twee-eenheid in dit denken en dit verstaan van de mystieke geraaktheid.
In de schilderkunst is het thema van de wijdte en de leegte al oud. Misschien niet in de Westerse schilderkunst die het landschap pas centraal stelt als thema vanaf de 16e eeuw. En die landschappen worden nog altijd bevolkt door kleine mensen die iets aan het doen zijn of die op weg zijn. Soms staat een heilige centraal zoals Johannes de Doper of Antonius en om hem heen of achter hem doemt het landschap op. Casper David Friedrich, eeuwen later, werd in zijn tijd niet door iedereen begrepen als hij taferelen schilderde van veelal woeste landschappen waar de mens ontbrak. Maar hij heeft ook tal van afbeeldingen geschetst waarop de toeschouwer als toeschouwer aanwezig is en kijkt in de verte. Alsof deze toeschouwer op het beeld ons aan de hand moet nemen om met hem naar het landschap te kijken dat zich aan zijn voeten ontvouwt. We zitten dan inmiddels al in de romantiek en wandelaars trekken erop uit om de natuur te verkennen en te beschrijven, een soort van tegenreactie tegen de toenmalige ontwikkelingen in maatschappij en kunst waarin de stad en de techniek de boventoon gingen voeren.

In de Japanse en Chinese schilderkunst is het landschap altijd al een bijzonder thema geweest met oog voor de relatie tussen hemel en aarde, tussen boven en beneden en alles wat daar tussen zit. Mist, water, regen en sneeuw verbindt beide dimensies. De leegte wordt aanschouwd, de toeschouwer wordt deel van het grotere geheel en de kunstenaar is pas geslaagd als hij die dimensie en die emoties met zijn penseel kan duiden en verbeelden. Dat is een moeilijke opgave. Dat gaat veel verder dan het toepassen van technische regels en schildertechnieken. Het veronderstelt een vorm van eenwording met het landschap, erin durven opgaan, erin willen opgaan en die emotie, dat gevoel uitdrukken in inkt en sumi-e.
Er zijn nog kunstenaars die deze grondemotie, dit basisgevoel in hun werk willen uitdrukken, die in de traditie staan van de Chinese en Japanse landschapschilderkunst. Maar het Westerse virus waarin niet het werk maar de kunstenaar zelf centraal staat verspreidt zich ook in het Oosten en de sereniteit van het schilderen als een vorm van meditatie ontbreekt veelal. Kunst is geld, kunst kopen is beleggen. Dat corrumpeert ook de kunstenaar. Tweehonderdzestig miljoen dollar voor een schilderij van Paul Gaugin tart alle verbeelding. Geen enkel werk, zelfs geen Rembrandt is een miljoen dollar waard als je weet hoe lang iemand voor dit bedrag moet werken die gewoon acht uur per dag actief is als arbeider in een fabriek of als ambtenaar in een kantoor. Hoe onvervangbaar ook voor de mensheid, en daar wordt heel verschillend over gedacht, de jihadist zal er geen traan om laten als het kunstwerk wordt vernietigd, dergelijke bedragen zijn toppunt van absurditeit. Het heeft ook niets meer met kunst te maken maar met macht en machtsdrang die zich uit door onbetaalbare bedragen neer te leggen voor een enkel werk. Los van het feit waar het geld vandaan komt, dat kan nooit met werken zijn verdiend, eerder met een vorm van gelegitimeerde diefstal, door vooral niet te delen van je bezit, moet je concluderen dat wij toch in een heel vreemde wereld leven van tegenstellingen tussen rijk en arm. Hier gaat het niet meer om kunst maar om status. Ijdelheid der ijdelheden.

De ervaren wijdte van de ziel staat hier mijlenver, ik moet zeggen met kosmische melkwegstelsel-afstanden vandaan. De emotie van kunstenaar die zijn indruk van het landschap en zijn staan in het landschap met enkele streken neerzet, getuigend van die wijdte, heeft absoluut maar dan ook absoluut niets van doen met deze wereld van de kunsthandel. Daarom is mijn oriëntatie niet gericht op geld, op roem, op bekendheid, op mezelf. Ik schilder zoveel mogelijk waar mijn geest van vol is: het lege landschap, het landschap met wolken, de horizon, de bergen, de woestijn, de zee. Zij allen zijn groter, zij allen omgeven mij, zij allen moedigen mij aan me open te stellen voor hun dynamiek en overweldigende kracht en schoonheid. Mijn ziel ligt in het doen zelf, het hanteren van de kwast en het laten gebeuren van de kleuren die op elkaar inwerken en elkaar bemoedigen en aanvuren. Het kleurpalet heeft daarbij een eigen dynamiek en krijgt vaak achteraf een betekenis. De afgebeelde, de verbeelde berg bijvoorbeeld is een bode, een reiken naar de hemel om zoals de Taoïsten zeggen het bevel van de hemel te volgen en gestalte te geven op aarde. In de berg reikt de aarde naar de hemel, in de regen en de sneeuw geeft de hemel antwoord. Het witte landschap legt hiervan getuigenis af. Een hemels kleed bedekt de grauwe bruine aarde. Daarom houd ik zo van de sneeuw, ze is de verkondiger van de hemel, de brug tussen hemel en aarde, de tovenaar die ons verder doet kijken dan het hier en nu en het plaatsgebondene. Sneeuw blijft een wonder, een soort van transformatiekracht die het landschap een nieuw aangezicht geeft. Die verwondering laat mij niet los en wil ik uitdrukken in mijn werk als schilder. Ik noem het ook een vorm van sacraliteit die zichtbaar wordt in de werkelijkheid zonder dat ik hierbij religieuze pretenties heb. Religies zijn clusters van betekenisvelden, zij gaan al weer een stap verder. Met mijn schilderen ben ik niet zover en wil ik niet zover gaan. Ik blijf en verblijf in het landschap. Dat wandelen is voor mij voldoende, dit aanschouwen geeft mij meer wijdte dan een tekst of een beeld mij kan geven. En als een tekst al mijn horizon verbreedt dan is het meestal omdat ik in de tekst het landschap zie opdagen dat eronder zit. Dan is het omdat de levende adem waarmee de tekst geschreven is doorklinkt in de beelden die ze oproept. Ik zie dat dan meteen visueel. Als mijn werk als landschapschilder in al zijn abstractie dit kan wakker maken, dit kan oproepen ben ik meer dan gehoopt geslaagd in mijn opzet. Maar het is het niet het doel, dit oproepen, het is hoogstens een gevolg, zelfs geen effect want uiteindelijk heb ik niets in handen, net zo weinig als de leegte in het landschap waarmee de wijdte is gevuld.
John Hacking
10 februari 2015
