Noumenon Fenemon

Als je op zoek gaat naar een goede omschrijving van de transcendente aspecten van de werkelijkheid, of misschien wel naar een diepere transcendente laag onder de werkelijkheid waardoor deze gedragen wordt kom je al snel terecht op het terrein van de religie. Maar is er ook een omschrijving mogelijk die misschien wel het religieuze kan omvatten maar die eigenlijk breder is zodat ook niet religieus gekleurde ervaringen daaronder kunnen vallen? De Franse filosoof François Cheng legt in een voetnoot bij zijn bespreking van de Chinese schilderkunst uit waarom hij voor het begrip noumenon heeft gekozen. Hij schrijft:

noot (4): Cette dichotomie noumène/phénomène, pour inadéquate qu’elle puisse être, nous paraît mieux cerner la pensée chinoise que la dichotomie transcendance/immanence. Par noumène, nous entendons ce qui relève de l’Origine, ce qui est encore indifférencié et virtuel. Par phénomène, nous désignons les aspects concrets de l’univers créé. Les deux, noumène et phénomène, ne sont pas séparés ni en simple opposition; sans être du même niveau, ils entretiennent des liens organiques. (Cheng, Vide et plein)

noot (4): Deze dichotomie noumenon/fenomeen, hoe ontoereikend ook, lijkt ons een betere omschrijving van het Chinese denken dan de dichotomie transcendentie/immanentie. Met noumenon bedoelen we dat wat van de Oorsprong komt, dat wat nog ongedifferentieerd en virtueel is. Met fenomeen bedoelen we de concrete aspecten van het geschapen universum. De twee, noumenon en fenomeen, staan niet los van elkaar of eenvoudigweg tegenover elkaar; zonder op hetzelfde niveau te staan, onderhouden ze organische banden.

De noumenale en de fenomenale werkelijkheid hangen dus volgens Cheng en veel andere filosofen in die traditie nauw samen en kleuren elkaar. Het taoïsme is een goed voorbeeld van een dergelijke traditie – ook omdat het godsbegrip hier volledig ontbreekt. Misschien is deze kijk op een noumenale werkelijkheid een sleutel om al die aspecten die de fenomenale werkelijkheid overstijgen en die vanuit die fenomenale werkelijkheid niet zijn te verklaren of af te leiden te benaderen. Zonder dat ze los komen te staan van de fenomenale werkelijkheid zelf want de noumenale werkelijkheid is ervaarbaar binnen de fenomenale realiteit. Dat zou ook niet anders kunnen want we nemen waar met onze (fenomenale) zintuigen via ons (fenomenale) lichaam in een (fenomenale) wereld waarin we existeren en ons leven gestalte geven.

Vanuit de fenomenale wereld is de beantwoording van de zinvraag, bijvoorbeeld ‘waarom leven we, waarvoor leven we, waar leidt ons leven naar toe’ wel te beantwoorden, maar het antwoord zal waarschijnlijk minder bevredigend zijn want dat luidt: ‘we leven, we lijden, we genieten, we hopen en verlangen, we worden ouder, we gaan dood, niets blijft over’ (punt). We zijn voortdurend aan het worden, ons zijn, onze existentie staat in het licht van verandering, van worden, van transitie en het eindpunt is de dood. Maar waar we vandaan komen, ook ons bewustzijn, ons verlangen, blijft in duister gehuld als we met biologische of biologistische verklaringen geen genoegen willen nemen. En ook de vraag waarvoor we uiteindelijk leven komt met een antwoord dat alleen aanzet bij het begrip geluk, niet echt verder. Religies hebben daar een antwoord op gevonden door te spreken over een leven na de dood, of een leven dat wedergeboren kan worden, om uiteindelijk een eindtoestand te bereiken waarin alle leed geleden is. Maar hoe deze eindtoestand concreet uitziet blijft onopgehelderd omdat niemand ervan kan getuigen. Dat valt buiten de fenomenale werkelijkheid. Maar is ook geen deel van een noumenale realiteit want die staat in de omschrijving van Cheng niet aan het einde van het bestaan maar aan het begin.

Een andere auteur die zich met deze vraag diepgaand heeft bezig gehouden is Ulrich Libbrecht, die een comparatieve filosofie heeft ontwikkeld waarin hij onderzoekt in hoeverre zingeving-systemen en religies met elkaar overeenkomen. Hij heeft een model ontworpen om ze met elkaar te vergelijken. Hij heeft zijn hele leven gewijd aan deze taak en is ook thuis in de Chinese filosofie. Hij kiest ook voor een ‘neutraal’ begrip om de noumenale realiteit te omschrijven. Hij kiest voor het begrip numen. In een noot verwijst hij naar Rudolf Otto en schrijft:

noot (1991): Numen betekent: goddelijke macht, en slechts metonymisch: goddelijk wezen, godheid. Rudolf Otto heeft het begrip das Numinose ingevoerd in Das Heilige ( Das Numiunose”, pp. 5-7). Het is vanuit de christelijke orthodoxie begrijpelijk dat men tegen dit begrip fulmineerde. We verwijzen hiervoor naar het artikel “Numinose das” in Historisch Wörterbuch der Philosophie, vol 6, p. 998 vv. Maar voor vergelijkende filosofie is het, als men aan de oosterse religies denkt, het enige begrip dat algemeen genoeg is. (Inleiding Comparatieve filosofie II, pag. 400)

Deze zoektocht naar een omschrijving van de dragende, oorspronkelijke krachten in en onder onze fenomenale werkelijkheid heeft mij mijn hele leven al geboeid, omdat ik in mijn werk als landschapschilder gefascineerd ben door deze dimensie in onze werkelijkheid. In het landschap, in het ervaren en waargenomen landschap kun je verwonderd raken door de schoonheid en vooral de zeggingskracht ervan. Zodat je geïnspireerd wordt, zodat je hoe dan ook iets wilt uitdrukken van die inspiratie in je werk. Of beter je zoekt een manier om die inspiratie stem, een gezicht te geven. Ik doe dat via de omweg van het schilderen. Met materialen die ook het toeval een plek geven. Meestal zonder vooropgezet plan of thema dat moet worden uitgewerkt. Ik schilder al vijftig jaar en heb in al die jaren me voortdurend verhouden tot het landschap. Libbrecht verwijst naar de indianen die hun land, de natuur waarin zij leefden en hun bestaan ervoeren, heilig noemen omdat hierin het mysterie van het bestaan aangeraakt kan worden als men er voor openstaat. Libbrecht verwijst hiernaar als hij schrijft:

Wanneer men het land zelf als heilig beschouwt, d.i. als participerend aan het onpeilbare bestaansmysterie, dan kan men alleen op zoek gaan naar die plaatsen die het heiligst zijn. Vermoedelijk hebben wij, die in een geürbaniseerde omgeving leven, slechts weinig gevoel bewaard voor de inherente heiligheid van bepaalde plaatsen. Net zoals we schoonheid een toevallig ’toegevoegde waarde’ vinden, heeft ons puur rationalisme ons gevoel voor de heiligheid van het land gedood. (Inleiding Comparatieve filosofie II, pag. 156)

Het landschap is voor de indiaan die er zijn bestaan aan ontleend in hoge mate sacraal, heilig. De manier waarop wij ‘gebruikers’ van het landschap omgaan ermee door het te vernietigen, uit te buiten, compleet te veranderen,
is heiligschennis. We ontkennen niet alleen het mysterie, we ervaren geen mysterie, we zien het ook niet omdat onze ogen gericht zijn op andere dingen zoals winst en nut. Libbrecht schrijft dat de ervaring van het ’Mysterie’ in de creatieve dynamiek van het landschap en de omgang daarmee, ligt. Hij zegt:

Benaderen we de ruimte vanuit de ruimte zelf, en niet vanuit onze eigen aanwezigheid in de ruimte, dan stellen we op de eerste plaats het mysterieuze karakter ervan vast. Dat geldt nog steeds voor de moderne kosmologie, waar zich niet alleen het probleem van het ‘wezen’ van de ruimte stelt, maar nog veel sterker dat van de creatieve dynamiek van deze ruimte. Op bescheidener schaal werd in primitieve wereldbeelden hetzelfde mysterieuze karakter aangevoeld. Meestal trachtte men dit tastbaar te maken met het personifiëren van de ongrijpbare krachten die in de natuur werken. Maar in China sprak men van hsüan-p’in, de ‘mysterieuze vrouwelijkheid’, daarmee de nadruk leggend op de creatieve dynamiek van de ruimte, die vervuld is van leven, dat onophoudend nieuw leven baart. Het landschap is een levend landschap. Deze opvatting leidt niet alleen tot religiositeit (cf. infra), maar ook tot esthetische ervaring. (Inleiding Comparatieve filosofie II, 157)

Het landschap en de natuur worden in het traditionele Chinese denken bezield genoemd omdat er in de natuur een spel plaatsvindt van energie, ch’i genaamd, die niet als een geïndividualiseerde geest(kracht) wordt opgevat, maar als een kosmisch principe. En waar energie werkt ontstaat een dynamiek en staat het Worden centraal en niet het Zijn. Libbrecht zegt dan ook dat precies dit proceskarakter van het landschap het mysterie ervan leesbaar maakt. De kunstenaar die alleen maar oog heeft voor de vorm om zo de schoonheid van het landschap te vangen heeft het niet begrepen en mist de essentie van de ervaring van het numineuze in en van het landschap.
Het landschap verandert voortdurend, de uitstraling ervan is telkens anders. De jaargetijden, de uren van de dag en de nacht, het standpunt dat men inneemt, kortom zo Libbrecht, alleen de wandelaar is in staat om de indrukken die deze veranderingen oproepen, aan den lijve te ervaren en als kunstenaar uit te drukken. Libbrecht schrijft:

Dit betekent dat het landschap wisselende graden van harmonie vertoont. En dat is precies zijn ongeëvenaarde schoonheid, die geen enkel kunstwerk kan bezitten. De ervaring van een zonsondergang, met zijn verschuivende kleurharmonieën is toch iets anders dan het bekijken van een statische zonsondergang op een schilderij. (…)
Alles wat aan deze zintuiglijkheid ontsnapt, heeft voor ons een mysterieus karakter, en wekt in ons een “Stimmung” op, die niet meer tot het ego-intentionele behoort, dat m.a.w. geen gevoel van lust, van genot opwekt,
maar zoals Kant opmerkt, een gevoel van diepe ernst teweegbrengt.
Daarom zegt Kant: “Die Nacht ist erhaben, der Tag ist schön.” De nacht omvat het gestaltloze, de dag ‘gestaltet’. Dit gestaltloze heeft geen grenzen, het gaat over in het onwaarneembare, dat zich als oneindig aandient.
(…) Anders steht es mit dem ‘erhaben’ zu nennenden Gegenstand. Er ist formlos, unbegrenzt.” Dit betekent dat het steeds een on-heim-lijk karakter heeft: ik kan er niet rationeel in wonen omdat het niet grijpbaar is in categoriale schema’s. Precies daardoor komt mijn emotionaliteit sterk in beweging, want het vormloze, het niet-conceptualiseerbare, kan alleen ervaren worden. (Inleiding Comparatieve filosofie II, 162 en 164)

De vervoering, de verrukking die kan ontstaan als je een landschap ervaart, als het landschap emoties oproept, ervaringen van schoonheid, van ontzag, dan kan dit overeenkomen met een vorm van mystieke ervaring. God openbaart zich in de natuur, is een bekend gezegde binnen de religies. Je staat niet meer tegenover het landschap, alsof dit een gegeven is waartoe je je verhoudt (ook rationeel) maar je bent deel van het landschap en je eigen ego-bewustzijn valt weg. Je bent je bewust van je nietigheid. Wie en wat ben je (dan) nog oog in oog met een overweldigend berglandschap? En wat betekent deze ervaring als je er later op terugkijkt? Ook als schilder van dit landschap. Het landschap stemt mij, schrijft Libbrecht als hij verwijst naar de authentieke ervaring die een mens kan opdoen, wandelend in een overweldigend landschap:

Deze authentieke ervaring moest, volgens de oude Chinese esthetica, uit de natuur zelf afkomstig zijn. Ze werd traditioneel weergegeven in de formule ch’i-yün sheng-tung 気韻生動. Ch’i is de fundamentele kosmische energie, die alle dingen, hetzij mensen of dieren, rotsen of bomen, genereert en in hun dynamische ontwikkeling stuwt. Deze laatste wordt aangeduid met het begrip tao, 道 Weg; de kosmos zelf noemde men, naar het kosmologisch beeld van die tijd: T’ien-ti, Hemel en Aarde. Het is belangrijk in de context van ons betoog, vast te stellen dat de grondslag van de kunst in het object zelf, d.i. in de kosmos ligt. De absolute authenticiteit van deze kosmos uit zich in de dynamische harmonie van de natuur. Yün, betekent “resonance, consonance, harmonious vibration, etc.” en wordt ook gebruikt om in poëzie het rijm aan te duiden. Yün slaat op het subject dat zich in volmaakte resonantie met de natuur moet bevinden om een echt kunstwerk te kunnen voortbrengen. Nu is dit kunstwerk slechts de toevallige expressie – afhankelijk van eidetische aanleg en technische vaardigheid – van deze innerlijke resonantie. Deze laatste is de conditio sine qua non voor de subjectieve authenticiteit. Sheng betekent ‘leven’, tung betekent ‘beweging’. Sheng-tung betekent dan: ‘de dynamiek van het leven’. Kunst is dus geen afbeelding van statische objecten, geen mimesis, maar is de expressie van de dynamiek van het leven zelf. Dit betekent dat ware kunst geboren wordt uit het leven zelf, en niet uit een of andere intentionaliteit.(Inleiding Comparatieve filosofie II, pag. 168-169)

De mens, de schilder, resoneert met de kosmos door deze energie die door alles en iedereen stroomt en voortdurend veranderingen veroorzaakt. De kunst is het om in evenwicht met deze dynamiek je leven gestalte te geven, of voor de schilder, de energie te laten stromen zonder dat het ego ertussen zit met een eigen belang. Bijvoorbeeld, een meesterwerk willen scheppen, beroemd willen worden door zijn werk, willen schitteren en anderen willen overweldigen met zijn werk. Dat is allemaal ego-intentioneel en hiermee wordt de boot gemist. Het numineuze wordt niet aangeraakt, niet gezien, niet ervaren en ook de uitdrukking van het landschap in een schilderij blijft een oppervlakkig plaatje, een ansichtkaart, meer niet. De inspiratie die de schilder kan opdoen in de ervaring van het landschap, het aangeraakt kunnen worden door het numineuze blijft achterwege. Hij staat zichzelf in de weg en is losgezongen van de krachten die onze kosmos bewegen. Plat is het juiste woord, een platgeslagen ervaring van het landschap – verkocht aan toeristen om hen te lokken, om zoveel mogelijk geld uit te geven voor een vakantiegevoel dat bij thuiskomst alweer vergeten is omdat men niets heeft ervaren wat echt de moeite waard is. Geen ervaring waarin zin aan ontleend kan worden, geen ervaring die zinvol is en die zin-dragend is en die je verder helpt je leven gestalte te geven. Het numen is afwezig en komt ook niet aan het licht. Een gemiste kans waar je zelf aan de basis van ligt.

John Hacking
30 december 2023

Fr. Cheng, Vide et plein. Le langage pictural chinois, Paris 1991 (Éd. du Seuil)

Libbrecht, U., Inleiding Comparatieve filosofie II. Culturen in het licht van een comparatief model, Assen 1999 (Van Gorcum)


Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *