Galgenmaal – aanraking met het ‘sacrale’
De galg is uit als openbaar executie-instrument. Na de galg kwam in het Frankrijk van de Verlichting de guillotine en in de Verenigde Staten weer wat jaren later de elektrische stoel. De nazi’s grepen terug op de galg tijdens het publiek ophangen van vermeende tegenstanders of gevangenen in de kampen. Maar daar werd geen galgenmaal geserveerd. Het galgenmaal, de zelf uitgekozen maaltijd voor de executie, wordt wel nog aan de gevangenen in de dodencellen in de Verenigde Staten voorgezet voordat het eindvonnis wordt voltrokken: de doodstraf.
Daarom heeft het iets ironisch als een expositie van kunstwerken in galerie Grang De Paul Art in Den Bosch de titel “Galgenmaal” draagt met als ondertitel, “overgang naar de spirituele wereld”. In het begrip klinkt de dood al mee en wordt een stap gezet naar het naderende einde. Het galgenmaal lijkt op een gunst maar het is eigenlijk de laatste ingewilligde wens van de ter door veroordeelde die niet kost wat kost vervuld kan worden om de doodgewone reden dat een gevangeniskeuken zo zijn beperkingen heeft en de gevangenis eigen regels kent zoals een rookverbod. In de Volkskrant van 1998 verscheen een aardig artikeltje over de keuze van gevangenen voor hun galgenmaal: http://www.volkskrant.nl/politiek/hamburger-favoriet-als-galgenmaal-biefstuk-tweede~a481330/
Maar waarom een expositie noemen naar dit eigenlijk sinister fenomeen? De maaltijd, een laatste maal als overgang naar een nieuwe wereld, een andere wereld dan de vertrouwde. Het laatste avondmaal van Jezus en de leerlingen was een afscheidsmaal, een ‘kruisigingsmaal’ zo u wilt. Een maaltijd die uitgroeide tot een iconisch gebeuren dat in elke eucharistie plechtig en symbolisch wordt herhaald door de priester en de gelovigen. Tot op de dag van vandaag verwijzend naar lijden en dood van Jezus van Nazareth wachtend en verwachtend de opstanding van de doden, totdat hij wederkeert. In dit maal zit dus hoop opgesloten, een verwachting dat de angel van de dood voorgoed zal zijn uitgetrokken, de dood niet meer zal zijn. Maar zover is het nog niet.
Ik doe mee aan deze expositie met vier landschappen die alle vier over de horizon gaan in het leven. Drie ervan hebben de rivier de Geul (een idyllische plek tussen Stokhem en Schin op Geul) als uitgangspunt en eentje het bijna rijpe koren op de Dode Man, een heuvel in hetzelfde Stokhem, (Gemeente Gulpen-Wijlre), de plek waar mijn moeder opgroeide en waar ik als kind veelvuldig kwam. In deze afbeeldingen ligt mijn hele jeugd besloten. Maar ook een zekere spanning, een doodsdreiging, een overgangsgebied. Zoals het doopwater en de doop zelf een overwinning op de dood is, zo is de rivier een plek van doodgaan en sterven door de verdrinkingsdood. Leven en dood komen bij elkaar in het symbool van het water. Zoals het graan geoogst gaat worden, de graankorrel sterft om nieuw brood te worden, zo zijn water en brood, symbolen voor onze aardse ballingschap, dit land van tranen zoals zo prachtig wordt uitgedrukt in de liedtekst van Salve Regina, vertolkt door zangers op muziek van Arvo Pärt: “ Tot u roepen wij, ballingen, kinderen van Eva; tot u smeken wij, zuchtend en wenend in dit dal van tranen.”

Toen ik nadacht over het laatste avondmaal en de overgang naar de spirituele wereld kwam ik ook uit bij andere afbeeldingen die ik heb gemaakt rond dit thema zonder dat ik hier heel expliciet bij stil heb gestaan. De spirituele wereld is in mijn ogen namelijk vooral ook een kwestie van gezichtspunt. Objectief is er een wereld, “De wereld is alles wat het geval is” zo Wittgenstein, maar de wijze waarop wij tegen deze wereld aankijken kan heel divers zijn en getuigt van heel veel mogelijkheden. Dat onze kijk erop dan ook meteen een bewijs zou zijn voor de existentie ervan blijft donker want dat weet ik niet. Dat kan ik ook niet bewijzen. De wereld van geesten en engelen, de werelden buiten of binnen onze waargenomen realiteit en geduide werkelijkheid is er ook een uit boeken en uit verslagen van mystiek ervaringen. Het Tibetaanse dodenboek bevat een heel ritueel om deze wereld tegemoet te treden na je dood. Maar het laat ook zien dat het uiteindelijk allemaal illusie is, maya, schijn en zolang het subject hierin gelooft zal het steeds opnieuw wedergeboren worden in een aardse en sterfelijk lichaam. Ik vind dat wel een mooie duiding, maar wat als de illusie wordt doorgeprikt en als het subject (wat er dan eigenlijk ook niet is) verlicht of bevrijd wordt? Wat is er dan nog? Niets? Een niets? Een verdampte illusie? Een volslagen los verband van atomen en moleculen die al snel weer opgaan in andere verbanden? En geldt dit lot ook voor het bewustzijn? Is er een eenheid in het bewustzijn, iets dat na de dood misschien behouden zal blijven? Ik durf het niet te zeggen want ik weet het niet en stelligheid is al helemaal niet op zijn plaats in deze context.

In de wereld van de kunstenaars die geïnspireerd zijn door hun Afrikaanse wortels, iets wat ook doorgaat onder de naam voodoo, kom je vaker afbeeldingen tegen van een andere kijk op de werkelijkheid: een blik op de wereld waarin geesten en wezens van aan gene zijde van de dood vanzelfsprekend zijn. Ook hier heb ik geen oordeel over maar ik vind het wel fascinerend hoe kunstenaars als een soort van sjamanen te werk gaan en zich laten leiden door deze gedachtenwereld over goden en demonen. Een van mijn favorieten is Santiago Rodriguez Olazabal en werk van hem is aangekocht door het Afrika Museum in Berg en Dal. Hij verbeeldt ook de (magische) rituelen in contact met een andere vorm van werkelijkheid. Christelijke symbolen en Afrikaanse beelden lopen door elkaar heen – de kracht van de geest(en) en de omgang met deze werkelijkheid komen in grote schilderijen tot uitdrukking, zoals in het fragment uit ‘iré otónówa’ dat ik heb gebruikt als uitgangspunt voor een eigen werkje. Het doet mij denken aan de neerdaling van de H.Geest na de doop in de Jordaan – of aan de kracht van het zien van de andere werkelijkheid doormiddel van de vogels, de roofvogel, de adelaar, uitgedrukt in talrijke mythes. Het is een vorm van kijken met de raven (Noorse Mythologie), of met andere vogels (Afrika) naar de realiteit. De ogen worden als het ware hierdoor geopend voor deze dimensie van de werkelijkheid.

Maar er is ook nog een andere kunstenaar uit de collectie van het Afrika Museum die uitgangspunt vormde voor een klein landschapje met deze thematiek: Frantz Augustin Zéphirin, Het laatste avondmaal. Een foto van dit schilderij hangt als het ware in de lucht boven een donker landschap, een visioen? Een vingerwijzing, een galgenmaal, een kruisigingsmaal, waarbij de doden aanwezig zijn en op de achtergrond meedoen als donkere gestalten en waar het kwade kronkelt in de gedaante van slangen rond de poten van de tafel. Hoop en vernietiging komen hier bij elkaar, dood en leven in een beeld gevangen. Die laatsten zitten in mijn versie onder de verf verborgen want ze verstoren het visioen maar in het oorspronkelijke werk van de kunstenaar zijn ze volop aanwezig. Eigenlijk is de foto dus een citaat, net als de foto van het detail uit het werk van Olazabal. Ik citeer beiden kunstenaars als vingerwijzing naar een andere werkelijkheid en omgang met deze werkelijkheid. Mijn visie en mijn kijk is een beperkte, mijn toegang tot de werkelijkheid is er slechts een, gekleurd door mijn persoonlijke ervaring en beleven. Maar een expositie die uitdaagt tot een nadere verkenning van deze visies op de werkelijkheid kan in mijn ogen niet lang genoeg duren.
John Hacking
24 juni 2015 (Feestdag van Johannes de Doper)
Santiago Rodriguez Olazabal, iré otónówa, gem. techniek op papier 1998, 178×90 cm Afrika Museum Berg en Dal
Frantz Augustin Zéphirin, Het laatste avondmaal, acryl op doek, 2001, 76×101 cm Afrika Museum Berg en Dal