Schilderen als verhalen vertellen – licht zoeken
‘De enige echte reis, het echte bad van de eeuwige jeugd, is niet nieuwe landschappen opzoeken, maar andere ogen hebben, het universum zien met de ogen van een ander, van honderd anderen’, de honderd universums zien die elk van hen ziet, die elk van hen is…’
M.A. Ouaknin

Anselm Kiefer vertelt verhalen. Deze Duitse schilder is een verhalenverteller. Hij noemt zichzelf kunstenaar, niet schilder. Zijn schilderijen zijn verbeeldingen van zijn gedachten, zijn emoties en zijn impressies. Alchemie, Kabbala, mystiek, geschiedenis, natuurkunde, het zijn de thema’s in zijn werk. Het zijn ook verhalen van anderen. Verhalen uit een lange geschiedenis, sinds het ontstaan van het universum. Voor hem geldt wat ook in de alchemie ter sprake komt: in het groot zoals in het klein, en omgekeerd. De kosmos, het universum is ook aanwezig in elk individu, in elk mens. God in het groot, in de kosmos, is ook God in de persoonlijke existentiële ervaring. Het is dezelfde. Het is hetzelfde, alleen het perspectief is anders, de bril waarmee je wilt kijken verschilt.
In feite is veel herhaling, veel is iets wat terugkeert. Herinnering, ervaring zouden niet mogelijk zijn zonder die herhaling. Ware dit niet zo, zou herkenning niet fundamenteel zijn in ons denken en ons waarnemen, dan zouden wij ons steeds in nieuwe situaties én onbekende situaties bevinden. We zouden dan telkens weer op verkenning moeten uitgaan, ons oriënteren, de weg zoeken, de weg proberen te vinden. Ik vermoed dat dát met heel veel onzekerheid en gevoelens van onveiligheid gepaard zou gaan. Nooit thuis zijn, nooit op bekende grond, nooit herkenning en dus ook erkenning, want de situatie die vertrouwd is, is ook een vorm van erkenning van jouw waarneming en jouw welbevinden. Alles telkens nieuw, dat houdt geen mens vol.
Kiefer: “siehe giorgio agamben: erfahrung bedeutet, die kindheit als transzendentale heimat der geschichte wiederfinden…” De jeugd, de kindertijd vormt het amalgaam van je gebundelde ervaringen die bij tijd en wijlen boven komen drijven en die soms aangestipt worden door iets wat in de actualiteit gebeurt. Herinneringen komen bovendrijven. Herinneringen worden verhalen en verhalen geven ons een context om ons zelf te verstaan en om in te leven. Misschien erven we het zelfs over, die ervaringen,herinneringen, emoties en gewaarwordingen?
Daarom vertellen we ook verhalen: ze roepen nieuwe dingen op in vertrouwde contexten. Vertrouwd is het landschap, de omgeving, het gegevene. Er zijn altijd nieuwe elementen in een verhaal, nieuwe perspectieven, nieuwe vormen van betekenisgeving, maar die kunnen pas oplichten tegen de achtergrond van het bekende, het herkende en het vertrouwde. Neem deze tekst. Zou je nooit een letter hebben gezien, nooit hebben kunnen leren schrijven en lezen, dan zouden dit slechts wat zwarte vlekken zijn. Maar nu je kunt lezen en daar ga ik vanuit, en zelfs Nederlands, en je hebt een voorstellingsvermogen, je kunt je voorstellen wat hier geschreven staat, je snapt het, je ervaart het en het zet je misschien aan tot verder denken, ontstaat er iets, gebeurt er iets, komt een verhaal, een tekst, een geschiedenis tot leven.
Anselm Kiefer is ervan overtuigd dat je als kunstenaar voortdurend de ervaringen herhaalt die je hebt opgedaan in je jeugd. Ze keren in nieuwe gedaantes terug, in nieuwe verhalen, in nieuwe contexten, maar eigenlijk is het herkenning en is het herhaling. Daar is niets mis mee. Misschien kunnen we ook niet anders. Indrukken van toen waren zo bijzonder omdat je nog niet zoveel ‘vooroordelen’ had misschien, meer open stond voor de wereld, dat ze je een leven lang blijven begeleiden.
Is dat erg. Nee. Ik denk van niet. Iets totaal nieuws bedenken, uitvinden, ontwerpen, ga er maar aan staan. Het moet ergens vandaan komen. Zelfs ‘genade’ komt uit de hemel gevallen en is niet op aarde op te graven tussen het gesteente van de eeuwenoude rotsen. Alles heeft een plek en dus een oorsprong, ook het nieuwe. Het nieuwe rust op en bouwt voort op het oude. Zoals wij spreken met woorden die wij hebben geleerd en die velen voor ons hebben gesproken en gebezigd om hun ervaringen tot uitdrukking te brengen.
Citeren
‘In mijn commentaren heb ik vaak benadrukt dat het voor de Talmoed belangrijk is om te weten wie onderwezen heeft, wie een uitspraak gedaan heeft en wie deze of gene waarheid heeft doorgegeven.
Het schijnt belangrijk te zijn, heb ik gezegd bij iedere uitspraak de persoon van de auteur te bewaren: niet alleen om te onderstrepen dat iedere waarheid mogelijkerwijs een subjectief karakter heeft, maar ook om in het universele niet het wonder en het inzicht van het persoonlijke verloren te laten gaan, om het domein van het ware niet te transformeren tot het rijk van het anonieme.’
Emmanuel Levinas (geciteerd in Ouaknin)

Als er niet zoveel nieuw is in de wereld, niet zoveel echt nieuw hoeven we daar niet onder te lijden. Waarom niet? Omdat elk bestaande tekst, elk bestaand object, elke handeling, elk woord, elke gedachte, meer lagen heeft. Niets en niemand is te vangen in één en eenduidig begrip alsof er geen diepere betekenissen, alsof er geen diepere lagen zijn. Alles is, zo vermoed ik, meerduidig, vanuit meer perspectieven te bekijken, afhankelijk van de bril die je wilt opzetten. Anselm Kiefer is zijn hele leven al op die manier bezig: zijn schilderijen en beelden verkennen de betekenissen, diepen ze uit, nuanceren ze, halen er fragmenten uit die weer nieuwe betekenissen vormen etc. etc. Een proces dat nooit af is. Hij vindt objecten die zijn verhaal illustreren, haalt ze door baden met zuren, past electrolyse toe en onderwerpt ze aan andere procedures, zodat de objecten veranderen. Zowel van gestalte, van vorm en van kleur. Hij citeert op die wijze geschiedenisverhalen, oorlogen, ondergang, hoopvolle dimensies en wanhopige dimensies uit de menselijke cultuur zodat een nieuw beeldverhaal ontstaat. Reflectie op gedichten van Celan, Hölderlin, Rilke, het keert allemaal terug in zijn werk. Soms schrijft hij namen bij de beelden die hij maakt, extra duiding, extra tekens die een weg in het verhaal moeten wijzen. Hij heeft boeken gemaakt van verzamelde fragmenten, geknipte, ingekorte schilderijen, als nieuwe lectuur – een eigen verhaal, een eigen geschiedenis, citeren op een nieuwe wijze met oude en verwijzende tekens.
Als reactie op deze uitspraak: “ Wie ein Haufen von geradehin Ausgeschüttetem ist der schönste Kosmos” zegt Kiefer:
“das ist ein schönes bild: der kosmos als ausgeschüttetes, wie ein Kind, das seine spieltruhe ausschüttet. mal sehen, was kommt, wenn ich nicht mehr weiterweiss, schütte ich die dinge, sei es heisses, flüssiges blei oder dünne farbe, auf das bild.” Nieuw ontstaat uit door wat op het eerste gezicht chaos lijkt: een bad, een overgieten met verf van een beeld, een schilderij. Kiefer: “Ein künstler ist immer auch ein ikonoklast. erst das zerstörte bild ist ein universales bild. wenn ich ein bild male, ist das gleichzeitig die negation dieses bildes. man darf das nicht chronologisch sehen, denn das sichtbare bild rekurriert immer auf das nichts.”
Het ‘niets’ dat zo in het werk van Kiefer ter sprake komt spreekt niet vanzelf. Dat is eigen aan het ‘niets’. Niet spreken, niet sprekend, niets zeggend, zijn kenmerken van het niets maar dat wil niet zeggen dat het niet ter sprake kan worden gebracht. Door een bestaand beeld, een schilderij onder te dompelen in verf, in een zuur, te bewerken, wordt het wel als zodanig ‘vernietigd’, de eerste indruk lijkt dat te zeggen, maar het resultaat is een ander beeld, een ander schilderij, een getransformeerd beeld of schilderij. Of de kunstenaar vernietigt zijn werk en maakt het tot niets – zodat er niets meer van over is. Kiefer:
“zu deinem satz über das potential des nichts: nur wenn wir in unseren taten, in unseren entschlüssen zugleich deren negation sehen, sind wir mit dem nichts, das unser reichtum ist, verbunden. alle maler sind ikonoklasten. wie viele bilder habe ich schon verbrannt?
ein philosoph hat einmal gesagt: “diese fragmente würden, wenn sie einmal verbrannt würden, endlich etwas licht geben.” siehe auch heraklit.”

Een schilderij citeert de werkelijkheid op een geheel eigen wijze, het verwijst niet alleen, maar is ook deel van die werkelijkheid en de vernietiging of transformatie van het schilderij doet ook iets met de werkelijkheid waarnaar het verwijst. Wat is werkelijk hier, waar gaat het om en hoe speelt het niets op de achtergrond mee? Als de schilder van nature, van professie, vanuit zijn roeping ikonoklast is, dan betekent dit dat hij elk beeld van de werkelijkheid wel moet vernietigen, aanpassen, vervormen opdat het particuliere universeel kan worden. Kiefer stelt: “zum staub auf der linse: habe viel mit asche gearbeitet, meine zuerst meist bunten (impressionistischen) bilder wurden of mit asche, sand oder staub bedeckt – wurden dadurch vergeheimnisst, wurden durch diesen ikonoklasmus vom besonderen, aktuellen, gesonderten ins universale gehoben.” Van schilderijen die soms te groot waren snijdt hij delen af, die dan weer kleinere werken worden, als detail worden ze geactualiseerd. Als detail zijn ze uit een grotere samenhang van het schilderij uitgesneden
“so wie ein foto, ein film nur den besonderen augenblick meint und nicht das ganze, nicht das ding als solches, so gibt es einen besonderen rhythmus: vom universalen zurück zum aktualen, das heisst zum besonderen, getrennten und dann wieder zu universalen. oft habe ich “fertige” bilder auf buchseitenformate zerschnitten und diese seiten zu büchern gebunden.”
Deze boeken zijn in feite nieuwe getuigenissen, een nieuwe werkelijkheid van citaten, ontstaan uit een ikonoklastische daad van vernietiging. Misschien is spreken, citeren, schrijven ook wel een vorm van ikonoklasme omdat de beelden die we denken te kennen en gebruiken niet eenduidig zijn en dus wel moeten vernietigd worden om misverstanden te voorkomen en te verhinderen dat wij denken dat onze beelden zich dekken met de werkelijkheid. Schrijven, spreken, citeren is dan het oude woord opnemen in een nieuwe context en zo ‘opladen’ met nieuwe betekenissen. Oud wordt nieuw en het nieuwe is niet nieuw maar getransformeerd, geherformuleerd. Zo scheppen we niet alleen een nieuwere werkelijkheid maar wordt de werkelijkheid zelf anders – een oneindig proces van betekenisgeving. Zich realiseren dat dit plaatsvindt – het momentane, het actuele ervaren, tot in de kern ervan doordringen – weten, beseffen, meemaken, en vooral toelaten, zodat je er helemaal door geraakt wordt, zou je een vorm van verlossing kunnen noemen.

Verlossing
De Talmoed leert: kol ha’omer davar besjem omero mevi ge’oela la’olam, wat wil zeggen: ‘iedereen die een woord spreekt in naam van de auteur, brengt de verlossing in de wereld.’
In andere woorden betekent dit dat de praktijk van het citeren een eigen strikte deontologie heeft. Als je een citaat aanreikt aan de lezer, dan moet je altijd ook aangeven waar het vandaan komt, de auteur, het situeren in het werk, kortom, de lezer alle elementen geven zodat die naar de bron kan terugkeren en zo, misschien, door dit terugkeren, nieuwe landschappen kan ontdekken en tekstuele horizonten die voor hem betekenis kunnen hebben.
M.A. Ouaknin
Verlossing door actualisatie, door het besef dat er telkens iets nieuws ontstaat in je spreken en de wijze waarop je betekenis geeft met behulp van oude, bekende begrippen, dat is een vorm van bevrijding die we misschien niet dagelijks zo ervaren. De Duitse dichter Hölderlin heeft eens gezegd: “Wenn es dem Dichter misslingt, in der Tragödie die richtige Worte zu finden, dann brechen die tödliche Worte in die Wirklichkeit ein”. Dat is eigenlijk het negatieve effect van het spreken en schrijven waar de woorden niet treffen en ‘fehl schlagen’. Dat betekent dat woorden krachtig zijn, dat ze effect hebben, kortom dat ze scheppend kunnen werken. Ook het negatieve heeft die kracht. Als de woorden niet in een tragedie de spijker op de kop slaan gebeurt er iets anders. Kiefer reageert op dit citaat van Hölderlin alsvolgt: “das ist wirklich wahr. nur im wort, im richtigen, in der dichtung ist wirklichkeit. wenn sie nicht hergestellt wird, wenn man also alles in der illusion lässt (denn alles, was wir sehen, ist illusion), wenn die zeit zu dürftig wird, dann wird es gefährlich.” Poëzie, dichten, schept werkelijkheid, woorden krijgen een waarheidsgehalte en kunnen verlossend werken, want de werkelijkheid wordt door hen bewogen. Woorden openen een veld van betekenissen. Het is te vergelijken met een tocht door de woestijn. Hoe vind je hier je weg, welke richtingwijzers leiden je veilig door de woestenij van zand? “
“Er is geen weg terug meer mogelijk voor degene die ver de woestijn is ingetrokken. Van elders gekomen, is het elders zijn tweede horizon geworden. Zand is de vraag. Zand is het antwoord. Onze Woestijn kent geen grenzen,” schreef rebbe Semama.”
zo volgens een citaat van Edmond Jabès die veel over taal, over het boek en over de woestijn geschreven heeft. Vervang het begrip zand door woord en woestijn door taal en dan krijgt het fragment een nieuwe dimensie. De tocht wordt duidelijk, de manier waarop ook.

Edmond Jabès is een inspirerende schrijver die aanzet tot reflectie over ons bestaan. Hij doet met taal, met woorden en met vergezichten wat Kiefer doet met zijn schilderijen. Jabès vertelt verhalen, met fictieve personages. Verhalen die echter rusten in de Joodse mystieke traditie, de bijbel en de concrete geschiedenis. Het zijn verhalen die nieuwe dimensies openen omdat ze leunen op oude betekenissen en zo daarop verder bouwen. Jabès legt betekenissen vrij door woorden, door gebeurtenissen in een nieuwe context te plaatsen. Hij maakt ze vrij van de oude context, lost ze eruit, van het werkwoord lossen, vrijmaken, vrijkopen. De losser is de bevrijder die verlost van de ketenen, de banden van de slavernij. Zo is de Messias een losser, een vrijmaker. Verlossing wordt in de wereld gebracht door het spreken van een woord in naam van een auteur. Jabès voert fictieve rabbijnen op, auteurs, die woorden spreken in hun eigen naam of in de naam van iemand anders. Citaten zijn met naam en toenaam van de auteur tekens van verlossing, van bevrijding. Ze maken nieuwe betekenissen vrij en zijn zo getuigenissen in een scheppingsproces. Jabès schrijft:
“Hij hield een beetje zand in elke hand. “Enerzijds de vragen, anderzijds de antwoorden. Ze zijn beide even zwaar als stof,” zei hij eveneens.
Scheppen is van de toekomst het verleden van elke daad maken.
Met een voorbeeldige stiptheid hervat de jood zijn vrijwillige tocht in de richting van de woestijn; hij gaat een woord tegemoet dat nieuwe kracht heeft gekregen en dat zijn oorsprong is geworden.
“Door te scheppen schep je de oorspring waar je jezelf in stort,” schreef rebbe Sanua.
“De oorsprong is afgrond.” Rebbe Behit.” (einde citaat)
Jabès werd is door een toeval, een toevallige ontmoeting in een park in Parijs, de leermeester van die andere rabbijn en filosoof Marc Alain Ouaknin, die ik graag citeer en die mij aanzet tot verder nadenken over de relatie God-mens-werkelijkheid. Deze denkers zetten met hun werk een spoor uit dat lijkt op een tocht door de woestijn, een tocht die al duizende jaren duurt en nog duizende jaren zal voortduren als wij onze taal blijven spreken zoals we nu doen: betekenis op betekenis stapelen. Als mens, als individu, als subject ben je een klein wieltje in dit grote geheel, fragment, fragmentarisch, maar essentieel. Als zij die je voorgingen er niet waren geweest, zou jij er ook niet zijn gekomen. Als jij de woorden niet had gesproken die vrij kunnen maken, zouden de toehoorders nog altijd in slavernij zuchten en smachten. Durf je en kun je, je eigen rol in de geschiedenis, in het spreken, opvatten als een messiaanse rol? Een rol als verlosser, losser, bevrijder? Durf je zo te spreken, met de juiste woorden, durf je de uitdaging aan om in dit proces van betekenisgeving jouw betekenis te geven zodat die weer bouwsteen kan worden voor andere betekenissen? Durf je door te geven wat je ontvangen hebt en wat je dagelijks kunt ontvangen? Doorgeven van licht, van innerlijk licht, inspiratie, bevrijding?

Kracht en licht
‘De schrijver wendt zich tot het schrijven omdat hij in de woorden een kracht voelt die van heel ver komt, van een diepe laag uit de geschiedenis en de menselijke prehistorie.
Omdat de woorden hem verbinden met de meest oorspronkelijke vertes van zijn
persoonlijke geologie. En nog verder… schrijven doet je duiken, de wereld van het oppervlak verlaten. Schrijven is graven in je verleden en het is gravend in het verleden dat je de weg naar je toekomst opent.’‘In elk leven is er een moment van licht dat zo intens is dat het, zelfs als het onmiddellijk ingehaald wordt door de schaduw, een oergebeuren vormt, onzegbaar, dat je een leven lang probeert te verwoorden. Het gaat er niet om dat licht te begrijpen of te verklaren, want in de dieptes waarin we ons wagen is alles hoogst onverklaarbaar. Het gaat er alleen om verder te leven, verlicht door dit licht, in het leven geroepen door het geheugen, licht dat van elders komt en waardoor je voelt dat het leven in zich een overvloedige, een onuitputtelijke schat bergt.
Dat licht, ik ken het niet, maar ‘ik vermoed er het geraas van, zoals je, op de oever, op een mistige dag, de aanwezigheid van de oceaan kunt horen zonder die te zien.’
M.A. Ouaknin
Anselm Kiefer is op zoek naar dit licht dat Ouaknin beschrijft, als hij zijn ‘hemelpaleizen’ bouwt, ruimtes waar binnen de mystiek van de Sohar (kabbala), de ‘doxa’, heerlijkheid van het goddelijke aangeraakt kan worden. Kiefer zet zijn zoektocht voort, een spoor dat hem langs oude tradities voert en dat reikt naar de sterren. Het leven, ons leven, is een mysterie, net als de dood. In ons lichaam dragen wij dit mysterie verder en geven het door. De kunstenaar verbeeldt dit lichaam, maakt het tot zegel, tot teken om de toeschouwer te laten ervaren dat het lichaam meer is dan een object, meer dan een drager, meer dan een kracht en stuk materie. De kunstenaar die oude beelden vernietigt om nieuwe bloot te leggen als een ikonoklast, is op zoek naar dit innerlijke licht. Zijn kracht is het om het starre, behoudende, verengende te slopen, als dit verhindert dat het nieuwe kan worden waargenomen en ervaren. Daarom zijn kunstenaars hemelbestormers. Ze richten nieuwe paleizen op, nieuwe torens om de werkelijkheid waar te nemen. En de volgende generatie gaat weer hierin verder. De reis is nooit voltooid, nooit is er een definitieve thuiskomst. Houvast is een illusie die maar even duurt. Ook zo in de taal en in de betekenissen. Dat schept misschien onzekerheid maar geeft ook veel vrijheid. In de woestijn is de sterrenhemel het enige houvast. Die laat je ervaren wie je bent, wat je bent en waar je bent. Mininiem klein onderdeel van een oneindige kosmos. Al ons pogen is stukwerk, misschien wel ontkenning van dit inzicht omdat we deze onmetelijke vrijheid niet aankunnen.
Edmond Jabès past dit ook toe op de taal, op de woorden in de woestijn, op de woorden die God sprak en spreekt, hij schrijft:
“ – Als God in de woestijn: gesproken heeft, dan is dat om Zijn woord van elke wortel te beroven, opdat de schepselen bevoorrecht zijn in hun verbond met Hem. Van onze ziel zullen wij een verborgen oase maken, zei rebbe Abravanel.
En met Zijn geschreven woord, vroeg de volgeling, wat doen we daarmee?
Van Zijn verkondiging van vuur maken we een boek van vuur dat niet kan opbranden en dat nooit zijn laatste lezing krijgt, antwoordde rebbe Abravanel. Maar rebbe Hassoud, wiens uitspraken en commentaren vanwege hun vrijmoedigheid meestal slecht in de smaak vielen bij de exegeten, kwam tussenbeide en zei:
Zwervend is het woord van God. Het vindt zijn echo in het woord van het rondzwervende volk. Zijn woord kent geen oase, geen enkele schaduw, noch enige vrede, doch slechts de onmetelijkheid van de zeer dorstige woestijn; doch slechts het boek van die dorst, het allesverzengende vuur van het vuur dat op de drempel van de verterende onleesbaarheid van het overgeleverde Boek alle boeken tot as terugbrengt.” (einde citaat).

Daarmee zijn we terug bij af, de reis die misschien in ons leven een keer hoopvol begint in de wereld van de taal is nooit ten einde en kan ook nooit het einde bereiken. Pas de dood breekt een leven af dat op reis was. Jabès krijgt er niet genoeg van de kracht van het woord te benadrukken tegen de achtergrond van het eindige, het oneindige, kenbare en het onkenbare, het niets, de leegte. Hij schrijft:
«Om ons meester te maken van het universum, beschikken wij, zonderlinge vissers, slechts over een opeenstapeling van netten, die door de rede geknoopt zijn. Het oneindige is bezaaid met nutteloze, ondeugdelijke knopen» schreef rebbe Sari.
«Jij gelooft dat je het woord kunt uitvlakken met er een streep door te zetten. Weet je dan niet dat de streep transparant is? Niet de pen streept het woord door, maar de ogen die het lezen» schreef rebbe Taleb.
«Het woord ontwikkelt zich alleen overdag. Het woord is de vogel waarvan de schaduw schrift is» zei rebbe Naoumi. Waarop rebbe Haled antwoordde: «Het schrift is in dat geval het bewijs van het woord, zoals de schaduw op elk moment het bewijs van de dag is.» En bij voegde eraan toe: «Welke dag kunnen we ons voor de geest halen die niet eerst louter nacht was?» (einde citaat)
Als Jabès terugkijkt op zijn werk, op zijn schrijven en verwoorden komt hij net als Kiefer tot de conclusie dat het universum in ons werkt als een onzichtbare kracht waarvan wij de strekking niet begrijpen. We hebben alleen onze taal, onze beelden, ons kunstenaarschap om er stem aan te geven. Meer autoriteit is er niet, want de zeggingskracht verandert met de wijze waarop wordt geciteerd en waarmee commentaar wordt geleverd. Het eigen leven staat borg hiervoor. Daaruit wordt geput en worden nieuwe draden, nieuwe argumenten en inzichten verder ontwikkeld. Inkt als bloed, martelarenbloed, getuigenisbloed waarmee persoonlijke betekenis in woorden wordt gevat en zo voor anderen betekenis kan krijgen. Van het particuliere naar het universele, van het onbekende naar het bekende opdat er stelling kan worden genomen, een houding ingenomen, een gedachte kan worden gevormd die eigen is aan je eigen leven. Jabès schrijft:
“Mijn boeken stoelen op toevallige citaten van fictieve personages, op hun omstreden borgstelling: steunen ze, in het aangezicht van de dood, dus slechts op zichzelf – op mij? Maar is er wel sprake van ondersteuning?
Ze berusten op hun eigen zeggingskracht die hun geen enkel respijt laat. Ze beroepen zich op geen enkele autoriteit, laten zich op geen enkele waarheid voorstaan, behalve dan die welke zichzelf onophoudelijk ter discussie stelt; daarom kunnen ze niet naar een of andere zekerheid streven of ook maar een beroep doen op enige hulp.
Boeken van een woord dat nooit afgerond is, evenmin dwingend als overtuigend, niet zekerder van zichzelf dan het van enig ander woord is. Boeken van een boek dat aan de vier horizonten gekluisterd zit en waarvan de zinnen de ruimte bekrassen, dunne straaltjes bloed…«Het bloed van het universum voedt het woord dat het benoemt» zei rebbe Asfi. En hij voegde eraan toe: «De dageraad en de schemering zijn wellicht de twee polen van het woord.» «Maar daartussen,» vroeg men hem, «wat zit daartussen?» «Ongetwijfeld zit daar de dag en de nacht van de niet te dateren pijn,» antwoordde rebbe Asfi.” (einde citaat)
Zo wordt het universum tot woord met alle hoogtes en dieptes van ons leven. Een kracht die wij met onze rede niet vatten noch kunnen bevatten. Dat hoeft ook niet. Het feit dat we erover kunnen schrijven, verhalen vertellen, is genoeg.
John Hacking
29 april 2017
Citaten uit:
Ouaknin, Marc-Alain, ¿ God en de kunst van het vissen, Tielt 2016 (Lannoo)
Bijlage DVD: Anselm Kiefer / Alexander Kluge, Der mit den Bildern tanzt. Filme & Gespräche, Berlin 2017 (Suhrkamp Verlag) (p.s. citaten van Kiefer zijn allemaal zonder hoofdletters in het origineel)
Jabès, Edmond, fragmenten uit Le Livre des Ressemblances. Het Boek der Gelijkenissen, in Speybroeck, van Daan, De tranen van God. Genese van het beeld in werk van Gérard Garouste Jospeh Semah, Nijmegen 1998 (KUN), p. 52-63
