Abstracte landschappen maak ik al sinds ik schilder. Landschappen die geen geschilderde afbeelding zijn van een werkelijk bestaand landschap, waarbij veel moeite is gedaan om het landschap zo exact mogelijk weer te geven. Dan kun je sneller – zo is mijn idee – een foto maken van een bestaand landschap. Natuurlijk heeft het geschilderde landschap hoe realistisch en exact ook nageschilderd, zijn eigen kwaliteiten, maar deze manier van werken interesseert me eigenlijk niet. Het liefst werk ik vanuit mijn gevoel, vanuit de indrukken die een bestaand (of geschilderd bestaand of niet-bestaand) landschap op mij maakt zoals een berg omgeven door mist of een woestijnlandschap, een vlakte met een duidelijke horizon, of ik laat me leiden door de penseelstreken en de gekozen kleuren waardoor een niet bestaand landschap ontstaat. Vaak is dat in een geabstraheerde vorm waardoor de toeschouwer meestal moeite moet doen om er een landschap in te herkennen. Thema is voor mij in het schilderen de relatie tussen hemel en aarde, de horizon die beiden verbindt. Ik bedoel dat letterlijk. Natuurlijk staat het iedereen vrij om daar ook een spirituele dimensie in te ontdekken, maar dat is meestal niet de opzet als ik een landschap in abstracte vorm schilder. De abstractie zelf noem ik ook een vorm van landschap. Want bij beter kijken en bij het inzoomen op onderdelen van het geschilderde werk kun je telkens weer nieuwe landschappen ontdekken. Dat is ook een kwestie van kijken en van openstaan.
Voor mij heeft het landschap een lading die je ook mysterieus kunt noemen omdat de betekenis van het landschap zoals zich dat voor je ogen ontvouwt niet eenduidig is. Je kunt het vergelijken met Chinese en Japanse klassieke gedichten die geïnspireerd door een (vaak geschilderd) landschap, woorden vinden om die ervaring uit te drukken. Het landschap is groter dan de mens, groter dan de beschouwer die er als het ware in wordt opgenomen, zoals het minieme kleine figuurtje in een klassiek geschilderd Japans of Chinees landschap. De schilder is het ook niet te doen om een exacte weergave van dit landschap maar om de expressie van zijn eigen indrukken. Voorop staat de inspiratie of de geestkracht die in het landschap wordt ervaren, om die vervolgens over te brengen op de beschouwer. Vandaar ook vaak korte gedichten/teksten in het geschilderde landschap zelf waarop vaak door andere dichter weer commentaar wordt gegeven, door een passend dichterlijk antwoord erbij te zetten.

Het is een manier van ervaren van het landschap die mij aanspreekt en die ook zichtbaar wordt in het Japanse esthetische idee Yūgen. Hierin wordt deze mysterieuze manier van ervaren van het landschap door een schilderij en/of gedicht perfect uitgedrukt. Je voelt meer dan je ziet, er wordt iets in je wakker, misschien wel een gevoel van melancholie. Je kunt het voelen met je lichaam (Duits: Leib) en ziel. De ziel is het belangrijkste deel van deze ervaring. Je kunt je verdrietig, blij, verrukt enzovoort voelen… Maar er is geen speciale reden voor. Het overkomt je als je het schilderij ziet, als je het schilderij ervaart.
“Yūgen may be, among generally recondite Japanese aesthetic ideas, the most ineffable. The term is first found in Chinese philosophical texts, where it has the meaning of “dark,” or “mysterious.”
Kamo no Chōmei, the author of the well-known Hōjōki (An Account of my Hut, 1212), also wrote about poetry and considered yūgen to be a primary concern of the poetry of his time. He offers the following as a characerization of yūgen: “It is like an autumn evening under a colorless expanse of silent sky. Somehow, as if for some reason that we should be able to recall, tears well uncontrollably.” Another characterization helpfully mentions the importance of the imagination: “When looking at autumn mountains through mist, the view may be indistinct yet have great depth. Although few autumn leaves may be visible through the mist, the view is alluring. The limitless vista created in imagination far surpasses anything one can see more clearly” (Hume, Nancy G., ed., 1995, Japanese Aesthetics and Culture: A Reader, Albany: State University of New York Press, pag. 253-254)” in: https://plato.stanford.edu/entries/japanese-aesthetics/#5
“Yūgen is misschien wel het meest onuitsprekelijke van alle Japanse esthetische ideeën. De term komt voor het eerst voor in Chinese filosofische teksten, waar het de betekenis heeft van “donker” of “mysterieus”.
Kamo no Chōmei, de auteur van de bekende Hōjōki (An Account of my Hut, 1212), schreef ook over poëzie en beschouwde yūgen als een primaire zorg van de poëzie van zijn tijd. Hij geeft het volgende als typering van yūgen:
“Het is als een herfstavond onder een kleurloze uitgestrektheid van stille hemel. Op de een of andere manier, alsof om een reden die we ons zouden moeten kunnen herinneren, tranen die oncontroleerbaar opwellen.” Een andere typering maakt melding van het belang van de verbeelding: “Als je door de mist naar herfstige bergen kijkt, kan het uitzicht onduidelijk zijn, maar toch veel diepte hebben. Hoewel er maar weinig herfstbladeren zichtbaar zijn door de mist, is het uitzicht verleidelijk. Het grenzeloze vergezicht dat in de verbeelding ontstaat, overtreft alles wat je duidelijker kunt zien” (Hume, Nancy G., ed., 1995, Japanese Aesthetics and Culture: A Reader, Albany: State University of New York Press, pag. 253-254) Vertaald met DeepL.com
Eigenlijk valt het esthetische begrip yügen niet echt goed te vertalen – daarom wordt het ook omschreven met beelden van een ervaring en geduid vanuit die ervaringen en het effect van die ervaringen op de toeschouwer. In de poëzie gebeurt vaak hetzelfde: met enkele woorden, beelden, gevoelens, herinneringen, ervaringen oproepend waarmee de lezer zich kan identificeren en die iets in hem wakker maken.

Met woorden proberen dit resultaat te bereiken is niet gemakkelijk en als dit de inzet is van een gedicht dan mislukt dit waarschijnlijk omdat je niets kunt forceren. Ik noem het eerder een vorm van ‘genade’, een soort cadeau als dit effect plaatsvindt, het valt niet te manipuleren. Hetzelfde geldt mijns inziens ook voor het schilderen. Vooraf is er niks te sturen, niks te kiezen opdat de toeschouwer geraakt kan worden. Pogingen daartoe ontaarden meestal in kitscherige resultaten. Abstract proberen te werken in de schilderkunst is lastiger dan het lijkt. Los van alle figuratieve vormen die bekende beelden kunnen oproepen, die herkenning mogelijk maken, is het een hele opgave om volledig abstract te werken. Abstractie in de kunst is misschien wel net z’on lastig te omschrijven begrip en te benaderbare ervaring als het esthetische begrip yügen. Dit voor elkaar proberen te krijgen door maar wat te doen, bijvoorbeeld door het smijten van verf en wat er allemaal bij komt kijken lijkt in mijn ogen eerder op een vorm van verkramptheid. Het is niet moeilijk om meters muren, papier of doek vol te gooien met verf, om er allerlei handelingen op los te laten. Maar het eindresultaat nog los van het proces zelf, is niet persé inspirerend. Niet voor de toeschouwer en uiteindelijk ook niet voor de kunstenaar, maar dat is mijn persoonlijke opvatting. In mijn werk doet het eindresultaat er minder toe – het is niet de opzet om een doel te bereiken, ook niet de verwondering of de enthousiaste reactie van de toeschouwer. Het gaat mij eerst en vooral om het proces zelf, om het proberen uit te drukken van een idee dat in mijn heeft postgevat, om iets dat mij heeft geraakt om te zetten in een schilderij. Vaak abstract, soms figuratief. Zo zijn al mijn landschappen grotendeels abstract omdat ze vaak ook voortborduren op indrukken die ik heb opgedaan: bergen, de horizon, de woestijn, de golven van de zee, mist in de bergen, mist in het landschap, een weg ergens naar toe, het einde van de horizon die je doet beseffen waar je vandaan komt en waar je naar toe wilt.
Vaak gebruik ik (oude) foto’s van landschappen die mij inspireren om er zelf een compleet fictief landschap omheen te schilderen. De foto’s die het uitgangspunt waren worden zo opgenomen in een meer abstract geheel. Niet alleen landschappen maar ook foto’s van gruwelijke gebeurtenissen zet ik op die manier in om mijn indrukken abstract weer te geven via het landschap, de technieken die ik hierbij gebruik en de vormentaal die ik kies.
Veel abstract werk kan een diepe indruk achterlaten bij de toeschouwer, denk bijvoorbeeld aan het werk van Mark Rothko. Hier gebeurt iets dat buiten de activiteit en inzet van de kunstenaar zelf plaatsvindt. Het werk leidt een eigen leven en de zeggingskracht ervan gaat verder dan de inzet van de kunstenaar zelf. Zo krijgt een schilderij nieuwe waarde en nieuwe betekenis. Vaak is het de ander dan de kunstenaar zelf die deze waarde toekent en die betekenissen ‘opnieuw’ ervaart, vaak ook in een andere context. Dat is prima, zodra het werk het atelier heeft verlaten kan het een eigen leven gaan leiden. De perceptie van de toeschouwer wordt dan leidend en kan telkens weer veranderen. Iedereen voegt zijn eigen betekenisvelden toe. Een proces dat eigenlijk nooit af. En ook dat is uiteindelijk weer een vorm van evolutie, transformatie, nieuwe expressie van het landschap, deze keer ook in overdrachtelijke zin,
John Hacking
2-1-2025
Volledig herschreven tekst uit 2017



