Zeven illustraties bij het gedicht 14 sonnetten voor een engel in Hengelo, telkens een illustratie bij twee sonnetten: 50×70 cm December 2018, pigment, inkt, sumi-e op papier
1.
Dankbaar voor de dromen, voor de vlag
van het duister die wappert in de nacht
zonder wind, dankbaar om weg te glijden
naar het bekende onbekende, om vrij
als een ontheemde te reizen door ondergrondse zalen
door sterrenruimten waar geurige kralen
en kaarsen schitteren, langs verhalen in stenen
met herinneringen, verbeeld achter gesloten ogen,
om wijn te drinken, om vlees te eten
in een mond zonder tong, en tegen de muren
de gelakende onverwoorde verzen als scherven
van angst en verlangen uit te spreken, om te weten
dat Grootdroom de boom aan de zoom van de eeuwige uren,
die door zijn vruchten steeds weer sterven mag, doet groeien.
2.
Wanneer het zwaarmoedige lichaam
van je voorgeslacht, van alle herinneringen
gewassen in het lijkenhuis, slechts
met het zoomloos slavenkleed bedekt,
schouderhoog als een vlot
dobberend op een getij
van betovering, wordt weggedragen
naar de laatste beenderakker
ter bestelling als stoffelijk overschot —
vlees tot stof (of gras) en vogelgeluiden , ‘
met de stank van verrotting
in je neus, dan blijf jij, achter:
vlekkeloze gevleugelde van mijn verhaal
als een vuur vermompeld onder woorden.

3.
Wat is bewustzijn eigenlijk anders
dan het vernachten van het bekennen?
En het bekennen, dan de glijval van dezelfde
woordwordende slang, in een doek :
geknoopt, als een blinde tekst spartelend
in al zijn onmacht op zoek naar verboeking
van licht? Voor het aannaaien van betekenis
is een gedicht waarschijnlijk te licht in de broek.
Want zoals mijn hemel van ijzer is, zo
ben ik zelf van steen, zonder een schaduwspoor
op mijn pagina’s. Wat is schrijven anders dan slechts
het zwijgzware slepen met een armzalige hand
op de maat van de parende slang? Wie geeft het gedicht
een gezicht in deze drieste dorre tijden.
4.
O Heer van de Rokende Spiegel,
als ik van onmacht en verscheurdheid huil,
druk jij dan als troost je lippen op. mijn voorhoofd?
En als. ik de klank in mijn keel verlies
of blind word in mijn ogen, en jouw breekbare
profiel mij in het platte glas ontgaat,
leg je dan je hand op mijn hand
leid je mijn schrijven van vlekken tot op de plek
van de verslinding, zodat ik voor de laatste maal
geloven mag dat de enige manier om te vergaan
is door te beseffen dat het ik nooit heeft bestaan
om te amuseren of om voor de gek te houden?
Is het ademrijm er alleen maar als vloek
om elke schijn van een voleinding te bezweren?

5.
Boven de melaatse gebouwen van het kleine vliegveld
cirkelen de eerste roofvogels al loom op de wind —
elk is een dwarrelgedachte, een flard van een brief
zonder afzender noch bestemming. Flamboyanten vatten vlam.
Soldaten in camouflagepak staan paraat. Over de weg
waar aan beide kanten krottenlabyrinten beginnen,
scharrelt een mager varken rond en daar loopt ook
een ezeltje dat al is uitgeput van het voorspel
van alweer een snikhete dag. Door een beslagen bril
prevelbidt een oude man met blauwe lippen Koraanse
arabesken. In het heilig woud hurken mensen bijeen
die tongklappertandend met voorouders onderhandelen
om de cirkels van de roofvogels te mogen lezen. Zo, precies
zo las men ooit gedichten met wat ze in- en uitdrukken.
6.
Er komt een man op mij af,
hij vraagt me: ‘Ik heb een tragische kijk
op het leven — wat moet ik doen?
Kunt u me helpen?’ Ik zeg: ‘Meneer,
het enige dat ik u wellicht raden kan
is om elke dag een sonnet te prakkiseren
voor een engel. Vertel hem of haar
over uw pijn. Laat uw woorden paren,
laat ze zich vermenigvuldigen,
en vervlecht ze in een regel klinkers
waarmee u kunt proberen
het uitingslijk te knopen om de nek
van uw gespreksgenoot, en die als wering
tegen klaagzangen van ezels op te hangen.

7.
De duiven op het zinken dak
van het Flamboyant Hotel in Ziguinchor
die; nog voor de dag over de apenbroodboom
en de brede stroom losbreekt, al ritselen en koeren,
zijn dezelfde duiven als van honderd verzen her
op het zinken dak van Paradys, mijn huis in Montagu,
toen een opkomende zon over de bergkammen tuimelde
en het gebladerte bewoog. Zij trippelden met dezelfde
tsjierp-tsjierp schraapgeluiden, precies zo hielden ze
hun kopjes schuin om nieuwsgierig schuw te turen naar
waar ik in de schemerige binnenplaats op mijn hurken wachtte
op berichten. Over het donkere verleden van honderd nachten
vlogen zij heen met hun vuurrode oogjes om mij iets te zeggen.
Maar hoe wisten ze mij hier te vinden?
8.
Wat is bewegen anders dan het scheppen van
verwantschappen, dan het voelen dat landschappen
bestaan en een omgeving? Als er iets bestaan kan buiten
mij om, iets aan de keerzij van de ruiten
die de vingertoppen kunnen raken om op de doeken
over te brengen, dan moet dat toch betekenen dat ik besta?
Gesteld dat ik mijzelf verbeelden kan — het leven immers
groeit en taant — zijn er dan geverfde schuiten
vol met lachende mensen als tranen tegen de ruiten,
en lees ik daar mijn naam als een wimpel op de maan?
O, engel, die als flakkerend duister tussen Licht en ooglid
vliegt over de getijden van het hemelruim met mijn gezicht:
praat toch met mij, laat mij als diepleefduiker naar het wrak omlaag
gaan om te zien hoe woorden rammelen als scharminkeltaal.

9.
Overal ben ik met hem samen, met Jan Afrika —
ik lig naast hem in bed, reis naar de onderwereld met hem
om zijn dromen te dromen, net als hij schrik ik als hij wijst
naar de kraaien die de lijken aan flarden plagen op zoek
naar het geheim van ontbinding. Ik maak hem wakker, kam zijn haar,
slurp zijn koffie, help de nacht die oud is weg te dragen
om haar bloot te stellen aan het licht. We betreden landschappen en straten
en vergane visioenen, we wegen onze adem als de kikker kwaakt.
(Ook houd ik zijn hand vast en leid die als hij woorden van bestaan
aan het papier wil toevertrouwen, en met diezelfde hondenhand
streel ik stout zijn vrouw haar rondingen, want die is koud.)
Pas als hij blind naar zijn weerkaatsing in de spiegel staart,
weet ik alles weer, zoals bij zijn geboorte:
dat verdomde masker van vlees is vergeten hoe ik heet.
10.
Wanneer de nacht wordt geleegd van het bloed van het donker
en je de zware adem van de branding tegen het land
hoog woeden alsof die een windvlaag is zonder beweging
(op de zeebodem drijven wrakken en dode walvissen en wolken.
als de afgedreven nageboorten van dromen rond)
en er verder op zee een schip dringend een waarschuwing loeit
voor de gevaren van onbekende tradities en reizen, en roofvogels,
aangetrokken door de honger, al hoog tegen de zilveren hemel
patronen spellen, en paarse rode witte oranje papierbloemen
in een oogwenk kleuren brengen, want die horen bij het licht,
nu kraaiend begroet door de rillende haan met een vlag in zijn keel —
dan weet je niet meer hoe je vuur kon ontsteken uit het bergenland
tot hier in de vervreemding van het leven, en je wacht tot je ogen
weer aan de daggang die doorgaat voor werkelijkheid gewend zijn.

11.
De aarde beeft / een geneeslijke ziekte is leven /
en rotsen zijn het geheugen van de wind:
oudemannenschrijfsels, zoals dit, gaan slechts over liefde en dood
(hier zinkt elke Manksteen omlaag, zwaar aan opgebaarde betekenis
die zal vergaan) of, wat zwakker uitgedrukt, over het lood,
en de diefstal van waarneembaarheid. Een oude man
met veren in zijn handen die doet of hij een vogel is
kijkt gulzig toe hoe de ene metafoor de andere besluipt en schaduwt . .
als een soort veelwijverij. Oudemannenschrijverij
is een poging om de dichtgegroeide vijver schoon te scheppen
met een spade zonder steel op zoek naar licht in het water.
Terwijl het hart nog wiegelt bestijgt hij het begeren
maar hij weet best dat de maan net als het kalf
in de put valt als hij wil doen alsof hij een vogel is.
12.
In de nacht langs een donkere kust
met een gebroken maan en sterrenspikkels erboven
vervaagt alles wat je ooit was net als kielwater
in het geheugen. — In de sloot van de nacht
is er een knipperlicht laag aan de einder,
iets wat je onthouden moest van het verleden
een haven, misschien mensen, de doden
hebben geleerd om geduldig te zijn:
in de nacht wordt Afrika geboren.
Waar de Casamance-rivier uitmondt en zijn bruine tong
diep in de zee steekt — maar nog voor het licht wordt
een smaragdgroene vleugel openvouwt — hangen kleine witte
zeezwaluwen pennenkrassend boven een bootje:
uit de nacht wordt Afrika geboren.

13.
Geliefde engel, wil je bij mij blijven, hoe ver ik ook ga
door de koude harde uren, hoezeer ik ook met de stilte vecht
van de verrotte maan, die scheurt en zinkt in een sterrenoceaan?
Herken je de zwarte eenzaamheid van eilanden,
zie je Hoe rotsen zich verschuilen in een berg
en hoeveel het vergt aan kijken en zien
om een oog te kunnen vlechten? En als de vroegte blauwt,
besef je dan dat kraaien zomen stikken aan de mouwen
van de hemel om de botten van de nacht erin toe te vouwen?
Mijn gedichten, Engel, zijn een almanak van klippen,
zijn het woordenboek van versteende begrippen,
gedoopt in azijn voor jouw vogelverschrikkende lippen.
Ik ga mijn lettergrepen op doeken in de straten hangen,
zodat het lijk met zijn gestroopte vlerken de afwezigheid kan vangen.
14.
Op de uiterste grens van de dag zijn bergen van sneeuw
als brandstapels van rokende rozenblaadjes, en ’s nachts
zit de maan onder een korst van stenen,
een half gelaat dat de donkere ontbinding overleefde.
Wanneer het wilde zwijn in de wintertuin wroet
op zoek naar bollen en de eerste tulpen als geschulpte kleuren,
barsten uit de grond, wanneer het seizoen wentelt
en de vogels hun schaduwen als hondengedachten
over de weg haasten — dan mondmaak je woorden
als een net om daar de zon mee te vangen:
deze bannieren hier op straat, uit een onbekend oord,
als neerslag van wind: reisverslagen en verzenvlagen voor de engel
die alles weet en nooit de wegen van de mens bewandelt:
een lijkwade bevlekt met de wonderen van wonden.

Zeven illustraties bij het gedicht 14 sonetten voor een engel in Hengeloo, telkens een illustratie bij twee sonetten: 50×70 cm December 2018, pigment, inkt, sumi op papier
Bron:
Veertien sonnetten voor een engel in Hengelo door Breyten Breytenbach in:
Breytenbach, Breyten, De zingende hand. Gedichten 2007-2016, Amsterdam 2017 (Uitgeverij Podium)